Paragraaf "Zin" uit Het plezier van de tekst

PvdT

Op een avond, toen ik op een barkruk half ingedommeld was, probeerde ik voor de grap alle talen op te sommen die mijn oor binnendrongen: muziek, gesprekken, geschuif van stoelen, gerinkel van glazen, een complete stereofonie, waarvan de exemplarische plek een plein in Tanger is (beschreven door Severo Sarduy). Ook in mij sprak het (dat is bekend), en dit zogeheten 'innerlijke' spreken leek veel op het rumoer van het plein, op die aaneenschakeling van zachte stemmen die mij van buiten af bereiken; ik was zelf een openbare plek, een soek; woorden, kleine syntagmata, flarden van formuleringen kwamen in me op, en er vormde zich geen enkele zin, alsof dat de wet van die taal was geweest. Dit tegelijk zeer culturele en zeer wilde spreken was vooral lexicaal, sporadisch; in zijn schijnbare stroom vormde het in mij een onherroepelijk discontinuüm: deze niet-zin was allerminst iets dat niet de kracht bezeten zou hebben, zin te worden, dat voor de zin zou zijn geweest: het was: wat op eeuwige, ongenaakbare wijze buiten de zin is. Virtueel kwam daarmee de heel linguïstiek te vervallen, zij die slechts in de zin gelooft en aan de predicatieve syntaxis (als vorm van een logica, van een rationaliteit) altijd een overdreven waardigheid heeft toegeschreven; ik dacht aan dit wetenschappelijke schandaal: er bestaat geen spreekgrammatica (grammatica van wat spreekt, en niet van wat geschreven wordt; en om te beginnen grammatica van het gesproken Frans). Wij zijn aan de volzin uitgeleverd (en vandaar: aan de fraseologie).

 

 

De Zin is hiërarchisch: hij impliceert onderwerping, onderschikking, innerlijke regering. Vandaar zijn afgeslotenheid: hoe zou een hiërarchie open kunnen blijven? De Zin is afgesloten; hij is zelfs heel nauwkeurig: die taal daar die afgesloten is. Daarin onderscheidt de praktijk zich duidelijk van de theorie. De theorie (Chomsky) zegt dat de zin in principe oneindig is (oneindig catalyseerbaar), maar de praktijk verplicht er steeds toe de zin te beëindigen. 'Elke ideologische activiteit doet zich voor in de vorm van compositioneel afgesloten uitspraken.' Keren we ook deze stelling van Julia Kristeva om: ieder afgesloten uitspraak loopt het gevaar ideologisch te zijn. Het is inderdaad het vermogen om af te sluiten dat de zinsbeheersing definieert en de actoren van de Zin als een duur verworven, veroverd, hoogste vakmanschap kenmerkt. De leraar is iemand die zijn zinnen afmaakt. De geïnterviewde politicus getroost zich zichtbaar veel moeite om een einde aan zijn zin te breien: en als hij zou blijven steken? Heel zijn politiek zou daardoor worden getroffen! En de schrijver? Valéry zei: 'Men denkt niet in woorden, men denkt slechts in zinnen.' Dat zei hij omdat hij schrijver was. Niet hij geldt als schrijver die zijn denken, zijn hartstocht of zijn verbeelding in zinnen uitdrukt, maar hij die in zinnen denkt: een Zin-Denker (dat wil zeggen: niet helemaal een denker, en niet helemaal een zinbouwer).

 

 

Het plezier van de zin is zeer cultureel. Het artefact, geschapen door redenaars, grammatici, linguïsten, leraren, schrijvers en ouders, dit artefact wordt op meer of minder speelse wijze nagebootst: men speelt met een buitengewoon voorwerp, waarvan de linguïstiek het paradoxale karakter duidelijk heeft onderstreept: steeds gelijk van structuur en toch oneindig vernieuwbaar: zoiets als het schaakspel.

Tenzij de zin voor sommige perversen een lichaam zou zijn?


Terug naar het begin van deze pagina
20-03-2004