Paragraaf "Angst" uit Het plezier van de tekst

PvdT

Nabijheid (identiteit?) van genot en angst. Wat in een dergelijke toenadering tegenstaat, is natuurlijk niet de gedachte dat de angst een onaangenaam gevoel is - een banaal denkbeeld - maar dat hij een middelmatig onwaardig gevoel is; hij is de winkeldochter van alle filosofieën (alleen Hobbes, geloof ik: 'de enige hartstocht van mijn leven was de angst'); de waanzin wil niets van hem weten (behalve misschien de uit de mode geraakte waanzin: de Horla), en dat verbiedt de angst modern te zijn: het is een loochening van de overschrijding, een waanzin die u bij vol bewustzijn laat. Door een laatste noodlottigheid blijft het subject dat angstig is, altijd een subject; hoogstens valt het onder de neurose (men spreekt dan van angstneurose, een voornaam, een wetenschappelijk woord: maar de angst is geen neurose).

Het zijn juist deze redenen die de angst in de nabijheid van het genot brengen: hij is de absolute heimelijkheid, niet omdat hij 'onbekenbaar' is (hoewel ook vandaag niemand bereid is hem te bekennen), maar omdat hij, daar hij het subject splijt terwijl hij het intact laat, slechts gelijkvormige betekenaren tot zijn beschikking heeft: de ijlende taal wordt degene die haar in zich hoort opwellen, geweigerd. 'Ik schrijf niet om waanzinnig te worden', zei Bataille - dat wilde zeggen dat hij de waanzin schreef; maar wie zou kunnen zeggen dat hij de waanzin schreef; maar wie zou kunnen zeggen: 'Ik schrijf om geen angst te hebben'? Wie zou de angst kunnen schrijven (wat niet betekent hem vertellen)? De angst verjaagt, noch bedwingt, noch verwezenlijkt het schrijven: door de meest starre van alle tegenspraken bestaan beide naast elkaar - gescheiden.

(Om maar te zwijgen over het geval dat schrijven bang maakt.)


Zie ook de annotatie bij het motto

Terug naar het begin van deze pagina
20-03-2004