Paragraaf "Oedipus" uit Het plezier van de tekst

PvdT

De dood van de Vader zal de literatuur veel van haar genoegens ontnemen. Als er geen Vader meer is, waartoe dan nog geschiedenissen vertellen? Gaat niet elk verhaal op de Oedipus terug? Betekent vertellen niet altijd zijn oorsprong zoeken, zijn geschillen met de Wet zeggen, in de dialectiek van vertedering en haat treden? Tegenwoordig gooit men met een en hetzelfde gebaar Oedipus en het verhaal overboord: er wordt niet meer bemind, er wordt niet meer gevreesd, er wordt niet meer verteld. Als fictie was Oedipus tenminste ergens goed voor: om goede romans te schrijven, goed te vertellen (dit werd geschreven na het zien van CITY GIRL van Murnau).

 

 

Veel leeswijzen zijn pervers, impliceren een splijting. Zoals het kind weet dat zijn moeder geen penis heeft en toch gelooft zij dat zij er een heeft (een economie waarvan Freud de rentabiliteit heeft aangetoond), kan ook de lezer onophoudelijk zeggen: ik weet wel dat het maar woorden zijn, maar toch ... (ik word ontroerd alsof deze woorden een realiteit zouden uitspreken). Van alle leeswijzen is de tragische lectuur de mees perverse: ik heb er plezier in, mezelf een geschiedenis te horen vertellen waarvan ik het einde ken: ik weet en ik weet niet, ik doe tegenover mezelf alsof ik niet wist: ik weet heel goed dat Oedipus ontmaskerd, dat Danton geguillotineerd zal worden, maar toch ... In vergelijking met de dramatische geschiedenis waarvan men de afloop niet kent, is er hier een vervaging van het plezier en een toename van het genot (vandaag de dag, in de massacultuur, een grote consumptie van 'dramaseries', weinig genot.


 

Terug naar het begin van deze pagina
20-03-2004