Paragraaf "Mandarijnendom" uit Het plezier van de tekst

PvdT

Ik stel belang in de taal, omdat zij mij verwondt of verleidt. Dat is misschien een klasse-erotiek? Maar van welke klasse? Van de bourgeoisie? Die voelt zich helemaal niet aangetrokken tot de taal, die in haar ogen niet eens meer een luxe, een element van een levenskunst is (dood van de 'grote' literatuur(, maar alleen nog middel of decor (fraseologie). Van de volksklasse? Hier is iedere magische of poŽtische activiteit verdwenen: geen carnaval meer, er wordt niet meer met de woorden gespeeld: einde van de metaforen, heerschappij van de stereotypen die de kleinburgerlijke cultuur haar opdringt. (De producerende klasse bezit niet noodzakelijk de taal die bij haar rol, haar kracht, haar deugd past. Dus: ontbinding van de onderlinge saamhorigheid, van de empathieŽn - die hier heel sterk, daar gelijk nul zijn. Kritiek van de totaliserende illusie: ieder willekeurig apparaat uniform allereerst de taal; maar het geheel moet men niet respecteren.)

Blijft een eilandje over: de tekst. Genoegens van een kaste, van het mandarijnendom? het plezier misschien, maar het genot, nee.

 

Geen enkele betekening (geen enkel genot) kan, daar ben ik van overtuigd, ontstaan in een massacultuur (te onderscheiden van de cultuur van de massa's, zoals water van vuur), want het model van die cultuur is kleinburgerlijk. Het is het kenmerk van onze (historische) tegenspraak, dat de betekening (het genot) zich geheel heeft teruggetrokken in een buitensporig alternatief: ofwel in een mandarijnenpraktijk (uitweg uit een afmatting van de burgerlijke cultuur), ofwel in een utopische idee (van een toekomstige cultuur die zal ontstaan uit een radicale, ongehoorde, onvoorspelbare revolutie waarvan ieder die thans schrijft slechts dit ene weet: evenals Mozes zal hij er niet binnengaan).

 

Asociaal karakter van het genot. Het is het abrupte verlies van de socialiteit, en toch volgt daaruit geen terugval in het subject (de subjectiviteit), de persoon, de eenzaamheid: alles verliest zich, geheel en al. Uiterste diepte van de heimelijkheid, de duisternis van de bioscoop.

Alle sociaal-ideologische analyses concluderen tot het teleurstellende karakter van de literatuur (wat hun iets van hun steekhoudendheid ontneemt): het literaire werk zou uiteindelijk altijd door een sociaal teleurgestelde of machteloze groep geschreven zijn, die door de historische, economische, politieke situatie buiten gevecht is gesteld; de literatuur zou de uitdrukking van deze teleurstelling zijn. Deze analyses vergeten (en dat is normaal, omdat het hermeneutieken zijn die uitsluitend op het onderzoek van het betekende berusten) de geweldige keerzijde van het schrijven: het genot: genot dat door de eeuwen heen kan losbarsten uit bepaalde teksten, die niettemin ter ere van de meest troosteloze, meest onheilspellende filosofie geschreven werden.


Terug naar het begin van deze pagina
20-03-2004