Paragraaf "Imaginaire elementen" uit
Het plezier van de tekst

PvdT

De imaginaire elementen van de taal goed afbakenen, te weten: het woord als bijzondere eenheid, magische monade; het spreken als instrument of uitdrukking van het denken: het schrijven als translitteratie van het spreken, de zin als logische, gesloten maat; het falen zelf of de weigering van taal als oorspronkelijk, spontaan, pragmatisch geweld. Al deze artefacten komen voor rekening van het imaginaire van de wetenschap (de wetenschap als imaginair): de lingu´stiek spreekt stellig de waarheid over de taal uit, maar alleen 'voor zover geen bewust bedrog wordt gepleegd': en dat is nu juist de definitie van het imaginaire: de onbewustheid van het onbewuste.

Een eerste arbeid is reeds, in de taalwetenschap te herstellen wat haar slechts bij toeval en geringschattend wordt toegekend, of vaker nog geweigerd: de semiologie (de stilistiek, de retoriek, zei Nietzsche), de praktijk, de ethische werking, de 'geestdrift' (wederom Nietzsche). Een tweede is, in de wetenschap terug te brengen wat tegen haar indruist: hier, de tekst. De tekst is de taal zonder haar imaginair element, dat wat aan de taalwetenschap ontbreekt opdat zich haar algemene belang manifesteert (en niet haar technocratische bijzonderheid). Alles wat door lingu´stiek (als canonieke, positieve wetenschap ternauwernood geduld of ronduit geweigerd wordt, de betekening, het genot is juist dat wat de tekst van de imaginaire elementen van de taal verwijdert.

Over het plezier van de tekst is geen 'wetenschappelijke verhandeling' mogelijk; hooguit een inspectie (een introspectie) die plotseling stokt. Eppure si gaude! En toch geniet ik tegen alles en iedereen in van de tekst.

Enkele voorbeelden op zijn minst? Men zou aan een immense gezamenlijke oogst kunnen denken: men zou alle teksten verzamelen die erin geslaagd zijn iemand te plezieren (waar die teksten ook vandaan mogen komen) en men zou dit tekstlichaam (corpus: dat is het) ten toon stellen, zo ongeveer op de wijze waarop de psychoanalyse het erotisch lichaam van de mens heeft uitgestald. Een dergelijke arbeid, zo mag men vrezen, zou slechts uitlopen op het uitleggen van de verzamelde teksten; het zou tot een onvermijdelijke afdwaling van het project komen: omdat het plezier niet gezegd kan worden, zou in het algemene spoor van de motiveringen treden waarvan er niet ÚÚn definitief zou kunnen zijn (als ik hier bepaalde vormen van tekstplezier aanhaal, dan is dat steeds terloops, op een heel onzekere, allerminst systematische wijze). Kortom, een dergelijk werk zou niet geschreven kunnen worden. Ik kan slechts om een dergelijk onderwerp heendraaien - en daarom is het beter dit beknopt en in afzondering te doen dan gezamenlijk en eindeloos; men kan er maar beter van afzien om van de waarde, grondslag van de affirmatie, over te gaan naar de waarden, die effecten van de cultuur zijn.

Als taalschepsel is de schrijver altijd in de oorlog van de ficties (van de spreekwijzen) gevangen, maar hij is daarbij nooit meer dan een speelbal, aangezien de taal die hem constitueert (het schrijven) altijd buitenplaats is (atopisch); alleen al door het effect van de polysemie (het rudimentaire stadium van het schrijven) is het krijgslustige engagement van een literair taalgebruik van meet af aan twijfelachtig. De schrijver bevindt zich altijd op de blinde vlek van de systemen, op drift; hij is een joker, een mana, een nulgraad, de blinde bij het bridge: noodzakelijk voor de betekenis (het gevecht) maar zelf verstoken van een vaste betekenis; zijn plaats, zijn (ruil)waarde schommelt afhankelijk van de bewegingen van de geschiedenis, de tactische zetten van de strijd: men verlangt van hem alles en/of niets. Hijzelf staat buiten de ruil, verzonken in het non-profit, het mushotoku van de Zen, zonder verlangen iets te veroveren behalve het perverse genot van de woorden (maar het genot is nooit een buit: niets scheidt het van de satori, van het verlies). Paradox: deze overbodigheid van het schrijven (die door het genot die van de dood nabij komt) wordt door schrijver verzwegen: hij spant zich, maakt zich sterk, loochent de afdrift, verdringt het genot: slechts zeer weinigen bestrijden gelijktijdig de ideologische en de libidineuze onderdrukking (die namelijk waarmee de intellectueel zichzelf onderdrukt: zijn eigen taal).


Terug naar het begin van deze pagina
20-03-2004