Paragraaf "Oorlog" uit Het plezier van de tekst

PvdT35
PT 46

De ideologische systemen zijn ficties (idolen van het theater zou Bacon zeggen), romans - maar klassieke romans, wel voorzien van intriges, crises, goede en slechte personages (het romaneske is iets geheel anders: een eenvoudige, ongestructureerde verdeling, een verstrooiing van vormen: maya). Iedere fictie wordt gedragen door een sociale spreekwijze, een sociolect waarmee ze zich identificeert: de fictie is de graad van de consistentie die een taal bereikt als zij bij uitzondering aanslaat en een priesterklasse (priesters, intellectuelen, kunstenaars) vindt die haar doorgaans spreekt en verbreidt.

'...Elk volk heeft een dergelijke wiskundig verdeelde hemel van begrippen boven zich en denkt dan dat de waarheid verlangt dat elke begripsgod slechts in zijn eigen sfeer gezocht wordt' (Nietzsche): wij zijn allen in de waarheid van de talen verstrikt, dat wil zeggen in hun regionaliteit, meegesleept in de enorme wedijver die hun nabuurschap regelt. Want iedere spreekwijze (iedere fictie) strijdt om de hegemonie; als zij de macht voor zichzelf heeft, verbreidt zij zich overal in de stroom van alledaagsheid van het sociale leven, wordt zij doxa, natuur: dat zogenaamde a-politieke spreken van de politici, van de functionarissen van de staat, dat van de pers, de radio, de tv, dat van de conversatie; maar zelfs buiten de macht, tegen haar, leeft de wedijver weer op, splitsen de spreekwijzen zich, worstelen met elkaar. Een onbarmhartige topica regelt het leven van de taal; de taal komt altijd ergens vandaan, zijn is een krijgslustige topos.

 

Hij stelde zich de wereld van de taal (de logosfeer) voor als een immens en onafgebroken conflict van paranoia's. Alleen die systemen (de ficties, de spreekwijzen) overleven die voldoende inventief zijn om een laatste figuur voort te brengen, die de tegenstander met een half-wetenschappelijk, half-ethisch woord kenmerkt, een soort draaideur die het tegelijk mogelijk maakt om de vijand vast te stellen, te verklaren, te veroordelen, uit te spuwen, in de kapselen, kortom: hem te laten betalen. Dat geldt onder andere voor bepaalde vulgaten: voor de marxistische spreekwijze, waarvoor elke verzet een klasseverzet is; voor de psychoanalytische, waarvoor elke ontkenning een bekentenis is; voor de christelijke, waarvoor iedere weigering een zoeken is, enzovoort. Hij verbaasde zich er over dat de taal van de kapitalistische macht op het eerste gezicht niet zo'n systeemfiguur bevat (tenzij van het allerlaagste allooi, waarvoor tegenstanders nooit iets anders zijn dat 'ge´ndoctrineerden', 'gemanipuleerden', enzovoort); hij begreep toen dat de dwang van de kapitalistische taal (des te sterker) niet van parano´de, systematische, argumenterende, gearticuleerde aard is: zij is een meedogenloze bepekking, een doxa, een soort onbewuste: kortom, de ideologie in haar essentie.

 

Willen deze gesproken systemen iemand niet langer radeloos maken of lastig vallen, dan zit er niet anders op dan een van hen te bewonen. Zoniet: en ik, en ik, wat doe ik in dat alles?

 

De tekst daarentegen is atopisch, zo niet in zijn consumptie, dan toch minstens in zijn produktie. Hij is geen spreekwijze, geen fictie, het systeem is in hem overstroomd, uiteengevallen (deze overstroming, dit uiteenvallen is de betekening). Van deze atopie raakt hij in een vreemde toestand, die hij aan zijn lezers meedeelt: tegelijk buitengesloten en vredig. In de oorlog van de talen kunnen er rustige momenten zijn, en deze momenten zijn teksten ('Vrede', zegt een personage van Brecht, 'is er ook in de oorlog... De oorlog heeft zijn vreedzame momenten... Tussen twee gevechten is er tijd voor een glas bier...').
Tussen twee verbale stormlopen, tussen de prestigestrijd van twee systemen is het plezier van de tekst altijd mogelijk, niet als een ontspanning, maar als de ongepaste - gescheiden - doorgang van een andere taal, als toepassing van een andere fysiologie.

 

Nog veel te veel hero´ek in onze talen; in de beste - ik denk aan die van Bataille - een erethisme van bepaalde uitdrukkingen en uiteindelijk een soort verraderlijke hero´ek. Het plezier van de tekst (het genot van de tekst) is daarentegen zoiets als een plots terugtreden van de krijgslustige waarde, een voorbijgaande vervelling van de sporen van de schrijver, een stilstand van het 'hart' (een zinken van de moed).

 

Hoe kan een tekst, die taal is, buiten de talen staan? Hoe kan men de spreekwijzen van de wereld exterioriseren (naar buiten brengen), zonder zijn toevlucht te nemen tot een laatste spreken vanwaaruit de andere eenvoudig verhaald, gereciteerd zouden worden. Zodra ik benoem, word ik benoemd: gevangen in de wedijver van de namen. Hoe kan de tekst zich aan de oorlog van de ficties, van de sociolecten 'onttrekken'? - Door een voortschrijdende afmattingsarbeid. Ten eerste liquideert de tekst iedere metataal en juist daarin is hij tekst: er is geen stem (Wetenschap, Zaak, Institutie) achter wat hij zegt. Vervolgens vernietigt de tekst tot het einde, tot aan de tegenspraak zijn eigen discursieve categorie, zijn socio-lingu´stische referentie (zijn 'genre'): hij is 'het komische dat niet aan het lachen maakt', de ironie die niet onderwerpt, het gejubel zonder bezieling, zonder mystiek (Sarduy), het citaat zonder aanhalingstekens. Tenslotte kan de tekst, als hij er zin in heeft, de canonieke structuren van de taal zelf aantasten (Sollers): het lexicon (uitbundige neologismen, woordketens, translitteraties), de syntaxis (geen logische cel, geen zin meer). Het gaat erom door transmutatie (niet alleen meer door transformatie) een nieuwe alchemistische toestand van de taalmaterie te laten verschijnen: deze ongehoorde toestand, dit witgloeiende metaal, zonder oorsprong en buiten de communicatie, dat is dan taal, en niet een taal, al is ze nog zo uit haar verband gelicht, gemimed, ge´roniseerd.

 

 

Het plezier van de tekst let niet op ideologie. Maar deze onbeschaamdheid vloeit niet voort uit liberalisme, maar uit perversie: de tekst, zijn lezing zijn gespleten. Wat overstroomd, stukgeslagen wordt, is de morele eenheid die de maatschappij van ieder eist. Wij lezen een tekst (van plezier) zoals een vlieg in de ruimte van een kamer rondvliegt: met plotselinge, bedrieglijke, besliste, drukke en nutteloze zigzagbewegingen: de ideologie trekt over de tekst en zijn lezing als de blos over een gezicht (in de liefde proeven sommigen in dit blozen een erotisch genoegen); iedere schrijver van plezier wordt door zulke stomme blozingen overvallen (Balzac, Zola, Flaubert, Proust: alleen MallarmÚ is misschien meester over zijn huid): in de tekst van plezier zijn de tegengestelde krachten niet langer de toestand van verdringing maar van wording: niet is werkelijk antagonistisch, alles is meervoudig. Soepel glijd ik door de nacht van de reactie. In FÚconditÚ van Zola bijvoorbeeld is de ideologie zonneklaar, bijzonder kleverig: naturisme, familialisme, kolonialisme; dat verhindert echter niet dat ik in het boek verder lees. Is deze vervorming banaal? Men kan eerder de huishoudelijke handigheid verbluffend vinden, waarmee het subject zich deelt, zijn lezen verdeelt, weerstand biedt aan de besmetting van het oordeel, aan de metonymie van de tevredenheid: zou de reden daarvan zijn dat het plezier objectief maakt?

 

 

Sommigen willen een tekst (een kunst, een schilderkunst) zonder schaduw, die zich onttrekt aan de 'heersende ideologie'; maar dat zou een tekst zijn zonder vruchtbaarheid, zonder produktiviteit, een steriele tekst (zie de mythe van de Vrouw zonder Schaduw). De tekst heeft behoefte aan schaduw: die schaduw is een beetje ideologie, een beetje voorstelling, een beetje subject: noodzakelijke schimmen, zakken, slierten, wolken: de subversie moet haar eigen clair-obscur voortbrengen.

(Men zegt gewoonlijk 'heersende ideologie'. Deze uitdrukking is misplaatst. Want wat is dat, de ideologie? Juist de idee voor zover zij heerst: de ideologie kan niet anders dan heersend zijn. Zo juist het is van 'ideologie van de heersende klasse te spreken', omdat er wel degelijk een overheerste klasse bestaat, zo inconsequent is het van 'heersende ideologie' te spreken, omdat er geen overheerste ideologie bestaat: aan de zijde van de 'overheersten' is er niets, geen enkele ideologie, behalve juist - en dat is het laatste stadium van de vervreemding - de ideologie die ze noodgedwongen (om dit symboliseren, dus om te leven) van de klasse overneemt die hen overheerst. De maatschappelijke strijd kan niet gereduceerd worden tot de strijd tussen twee rivaliserende ideologieŰn: de subversie van iedere ideologie is in het geding.)


De paragraaf Oorlog bevat 8 fragmenten.

Oorlog

zie ook mijn artikel De Oorlog en het Plezier van de Tekst, Lezing gehouden op 16-4-1988  voor de Nederlandse Studiekring voor Esthetica te Amsterdam
Verschenen in Gaya Scienza, kroniek voor kunst, filosofie en communicatie, voorjaar 1988 nr 6. In dit artikel worden enkele elementen van dit fragment verder uitgewerkt

Idolen van het theater / fantômes de théâtre

Filosofie Magazine 3, april 2004 heeft als thema Idolen. In het artikel Het idool is mens geworden schetst Jan Dirk Snel het begip Idolen bij Bacon:

"En toen kwam Francis Bacon (15611626). In zijn Novum Organum uit 1620, dat zich al in de titel tegen de 'oude' filosofie van Aristoteles keerde, introduceerde hij een nieuw idoolbegrip. 'Idolen' stonden voor vooroordelen: foutieve ideeën en begrippen die het menselijk verstand in de ban houden en op een dwaalweg leiden.

Bacon sloot gewiekst aan bij de traditionele afwijzing van idolatrie, maar tegelijk draaide hij de zaak radicaal om. De overeenkomst met traditionele afgoden is, dat ook volgens Bacon idolen door mensen gemaakt zijn. De grote fout van de meeste mensen, merkt hij op, is dat ze de mens voor de maat van alle dingen houden. Ze bekijken de wereld vanuit zichzelf. Idolen zijn dus net als afgoden gemaakt naar eigen beeld en gelijkenis.

Maar dan komt het verschil. Je moet de wereld trachten te begrijpen 'vanuit de maat van de wereld', vindt Bacon. Zijn methode is de inductie. Je moet de werkelijkheid zelf laten spreken. Bij Bacon staan niet langere zinnelijke beelden van afgoden tegenover de ware God of idee. Nee, het is omgekeerd. De zichtbare werkelijkheid staat tegenover de ideeën die mensen koesteren. De idolen van Bacon zijn niet langer beelden, maar ideeën. De tegenstelling is niet tussen God en idolen, maar tussen wetenschap en idolen.

Bacon onderscheidt vier soorten idolen: van de stam, de grot, de markt en het theater. De idolen van de stam zijn de vooroordelen die eigen zijn aan de mensheid. Mensen zijn nu eenmaal traag van begrip en hebben de neiging om hun eigen ideeën aan de werkelijkheid op te leggen in plaats dat ze die onbevooroordeeld waarnemen.
De idolen van de grot zijn de vooroordelen die elk individu er voor zichzelf op na houdt. Ieder mens bekijkt de werkelijkheid vanuit zijn toevallige plek in de wereld en houdt de vooroordelen die uit opvoeding of gewoonte voortkomen, klakkeloos voor waar.
Bij de derde groep, de idolen van de markt, denkt Bacon aan de verwarring die ontstaat door het gebruik van de taal. Mensen overschatten woorden. Ze kennen betekenis toe aan loze woorden of gebruiken verwarde termen.
Met de laatste groep, de idolen van het theater, keert Bacon zich tegen de filosofische traditie. Mensen laten zich van alles wijs maken. Ze zijn in de ban van overgeleverde dogma's, die bij nader inzien niet blijken te kloppen.
Bacons remedie is helder. Hij zet al zijn kaarten op de wetenschap. Die zal de waarheid aan het licht brengen. Bacons filosofische herinterpretatie van idolen zou in filosofie en wetenschap de standaardopvatting blijven. p37/38

Maya

Maya: (mä´yä), in Hinduism, term used in the Veda to mean magic or supernatural power. In Mahayana Buddhism it acquires the meaning of illusion or unreality. The term is pivotal in the Vedanta system of Shankara, where it signifies the world as a cosmic illusion and also the power that creates the world.( bron: The Columbia Encyclopedia, Sixth Edition. 2001).

Maya wordt meestal gelijk gesteld aan 'onwetendheid' maar krijgt ook vaak de betekenis van 'illusoire kracht' of 'illusie voortbrengende kracht'.

Zie verder de notitie Maya

Nietzsche

Citaat is afkomstig uit het artikel Over waarheid en leugen in buiten-morele zin, in Waarheid en cultuur, Boom 1983, p 116:

"Zoals de Romeinen en Etrusken hun hemel door middel van starre wiskundige lijnen indeelden en een god, als in een templum, verbanden naar een aldus afgeperkte ruimte, zo heeft elk volk een dergelijk wiskundig verdeelde hemel van begrippen boven zich en denkt nu dat de waarheid verlangt dat elke begripsgod slechts in zijn eigen sfeer mag worden gezocht." p 116

Terug naar het begin van deze pagina
20-03-2004